Grondsoorten herkennen uit een sondering: de Robertson-classificatie

Een sondering meet geen grondsoorten — hij meet weerstanden. Toch tekent elke geotechnisch adviseur er in gedachten meteen een grondprofiel bij: veen, klei, zand. Dat kan omdat de combinatie van conusweerstand en wrijving per grondsoort een herkenbaar patroon geeft. De bekendste methode om dat te formaliseren is de classificatie van Robertson.

Wat meet een sondering eigenlijk?

Bij een sondering (CPT) wordt een conus met constante snelheid de grond in gedrukt. Daarbij worden minimaal twee grootheden geregistreerd:

  • de conusweerstand qc (MPa): de druk op de punt van de conus;
  • de plaatselijke wrijving fs (MPa): de schuifweerstand langs de kleefmantel net boven de punt.

Uit die twee volgt het wrijvingsgetal Rf = fs / qc × 100%. Dat getal is de sleutel tot de grondsoort: zand geeft een hoge qc met weinig wrijving (Rf ≈ 0,5–1%), klei een lage qc met relatief veel wrijving (Rf ≈ 3–5%) en veen een zeer lage qc met veel wrijving (Rf > 5%).

De Robertson-classificatie (SBT)

Robertson bracht dit in kaart in de bekende Soil Behaviour Type (SBT)-grafiek: qc uitgezet tegen Rf, verdeeld in zones die elk een grondgedragstype vertegenwoordigen. De niet-genormaliseerde variant (Robertson 2010) gebruikt de SBT-index Isbt en onderscheidt onder meer:

  • Zone 2 – veen en organisch materiaal;
  • Zone 3 – klei tot siltige klei;
  • Zone 4 – siltmengsels: kleiig silt tot siltige klei;
  • Zone 5 – zandmengsels: siltig zand tot zandig silt;
  • Zone 6 – schoon tot siltig zand;
  • Zone 7 – grindig tot vast gepakt zand.

Belangrijk om te beseffen: de methode classificeert het gedrag van de grond, niet de korrelverdeling. Een sterk overgeconsolideerde klei kan zich als silt "gedragen". Voor een funderingsadvies is dat gedrag meestal juist wat je wilt weten.

Wat als er geen wrijvingsdata is?

Oudere sonderingen — zeker gedigitaliseerde scans — bevatten vaak alleen de conusweerstand. Robertson toepassen kan dan niet. Wel geven vuistregels voor Nederlandse bodems een indicatie:

  • qc < 0,5 MPa: veen of organisch materiaal;
  • qc 0,5 – 1,5 MPa: klei;
  • qc 1,5 – 5 MPa: siltige klei of kleiig zand;
  • qc 5 – 15 MPa: los tot matig gepakt zand;
  • qc > 15 MPa: vast gepakt zand.

Let op: zonder wrijvingsgetal is het onderscheid tussen stevige klei, silt en los zand niet betrouwbaar te maken. Gebruik zo'n qc-profiel als eerste indicatie, niet als definitieve grondopbouw.

Zelf een grondprofiel uit je sondering halen

De CPT Converter doet deze classificatie automatisch. Laad een GEF-bestand en je krijgt naast de qc- en Rf-grafiek een grondprofiel volgens Robertson (of, zonder wrijvingsdata, de qc-vuistregels) inclusief legenda. Ook een gedigitaliseerde scan krijgt na het digitaliseren dezelfde weergave via het tabblad Grafiek & grondopbouw.

Van grondprofiel naar berekening

Het grondprofiel bepaalt welke lagen dragend zijn en waar negatieve kleef optreedt. In combinatie met de conusweerstand vormt het de basis voor de paaldraagkracht volgens NEN 9997-1. Waarom qc daarin zo bepalend is, lees je in het artikel over conusweerstand en paalberekeningen.

Direct proberen? Laad een GEF-bestand of scan in de CPT Converter en bekijk het Robertson-grondprofiel — gratis, volledig in je browser.